Strafrecht hervormd: wat betekent het nieuwe Strafwetboek voor u?
Op 8 april 2026 treedt het nieuw Strafwetboek in werking.
Dit werd tijd, want ons huidig Strafwetboek dateert van het jaar 1867. Het zal niet verbazen dat bepaalde ideeën uit de 19e eeuw niet meer stroken met de wensen van de huidige samenleving. De maatschappelijke waarden en normen evolueerden, doch het Strafwetboek evolueerde niet mee.
Bovendien werden er de voorbije 150 jaar talloze aanpassingen en uitbreidingen doorgevoerd, voornamelijk middels bijkomende wetten, doch een globale wijziging bleef uit. Het overzicht was dan ook steeds verder te zoeken.
Om deze redenen werd besloten het Strafwetboek aan een grondige make-over te onderwerpen.
Het nieuw Strafwetboek legt de focus op accuraatheid, eenvoud en coherentie.
Het bespreken van alle wijzigingen zou ons in deze nieuwsbrief te ver drijven, maar wij benadrukken graag even de belangrijkste hervormingen binnen het straffenarsenaal en binnen het scala aan strafbare gedragingen.
Het straffenarsenaal
De eerste grote aanpassing is dat er in het nieuw Strafwetboek zal worden gewerkt met “strafniveaus”, zowel voor natuurlijke als voor rechtspersonen. Er zullen 8 niveaus zijn met elk hun specifieke straffen. Aan elk misdrijf zal een bepaald niveau worden gekoppeld.
Bij het samenstellen van de verschillende niveaus hield de wetgever rekening met het inzicht dat een gevangenisstraf slechts als “ultimum remedium” mag gelden. Daarom zal het binnen niveau 1 niet mogelijk zijn om een gevangenisstraf op te leggen. Niveau 8 daarentegen, dat is voorbehouden voor de meest ernstige feiten, bevat de levenslange gevangenisstraf.
Bij aanneming van verzachtende omstandigheden zal een lager niveau worden toegepast. Dit laatste geldt echter niet wanneer we ons in niveau 7 of 8 bevinden.
Tot slot is het ook het vermelden waard dat er in het nieuw Strafwetboek nieuwe straffen terug te vinden zullen zijn. Hierbij hield de wetgever onder meer rekening met het feit dat het huidig straffenarsenaal niet steeds is aangepast aan het feit dat ook rechtspersonen veroordeeld kunnen worden voor strafbare feiten. In die optiek wordt bijvoorbeeld, naar analogie van de werkstraf voor natuurlijke personen, voor rechtspersonen “de dienstverlening ten gunste van de gemeenschap” in het leven geroepen.
De strafbare gedragingen
Onder het huidig Strafwetboek worden de misdrijven onderverdeeld in overtredingen, wanbedrijven en misdaden. Het nieuw Strafwetboek speelt in op het feit dat in de praktijk bijna systematisch wordt overgegaan tot correctionalisering van de misdaden waardoor de criminele straffen bijna steeds worden omgezet naar correctionele straffen en aldus in de praktijk eerder dode letter zijn geworden. Er werd dan ook besloten tot de opvallende hervorming waarbij het onderscheid tussen misdaden, wanbedrijven en overtredingen verdwijnt. Vanaf 8 april 2026 zal enkel nog de algemene term “misdrijven” worden gebruikt.
Ook het onderscheid tussen medeplichtigheid en mededaderschap verdwijnt. In het nieuw Strafwetboek zal elke vorm van deelneming worden bestraft zoals het hoofdfeit, zelfs indien de hulp slechts “nuttig” in plaats van “noodzakelijk” was.
Zoals hierboven reeds uiteengezet vormen de gewijzigde maatschappelijke waarden en normen een belangrijke oorzaak van de nood tot vernieuwing. In het kader daarvan werd besloten enkele ernstige feiten zwaarder te bestraffen dan voordien (vb. zedenfeiten en intrafamiliaal geweld). Daarnaast werden enkele nieuwe misdrijven (vb. ecocide, aanzetten tot zelfdoding, verberging van bewijs,..) ingevoerd. Bepaalde andere feiten werden dan weer gedecriminaliseerd (vb. nachtrumoer) en zijn dus niet meer strafbaar.
Ook de strafbare poging werd onder handen genomen. Onder het huidig Strafwetboek is een poging tot een misdaad altijd strafbaar, doch is een poging tot een wanbedrijf slechts strafbaar wanneer dit expliciet wettelijk is bepaald. In het nieuw Strafwetboek zal een poging tot het plegen van een opzettelijk misdrijf steeds strafbaar zijn. Door deze wijziging wordt in het nieuw Strafwetboek bijvoorbeeld ook de poging tot misbruik van vertrouwen strafbaar.
Tot slot verdient ook de begrenzing van de onopzettelijke misdrijven (vb. onopzettelijke slagen en verwondingen, onopzettelijke doding,..) bijzondere aandacht aangezien de impact van deze wijziging vrijwel meteen voelbaar zal zijn. In het nieuw Strafwetboek zullen onopzettelijke feiten immers enkel nog strafbaar zijn wanneer er sprake is van een zware fout.
Dit is een opmerkelijke omwenteling. Sinds 1867 is het immers zo dat onopzettelijke misdrijven worden weerhouden zodra een lichte fout werd begaan. De minste onzorgvuldigheid volstaat aldus om iemand schuldig te verklaren aan bijvoorbeeld onopzettelijke slagen en verwondingen.
Wanneer het Openbaar Ministerie in de dagvaarding de kwalificatie “onopzettelijke slagen en verwondingen” vermeldt, kan het slachtoffer zich burgerlijke partij stellen en een schadevergoeding eisen.
In het nieuw Strafwetboek zal deze kwalificatie pas weerhouden kunnen worden wanneer de dader een ernstige onzorgvuldigheid heeft begaan.
Wil dit zeggen dat slachtoffers van een niet-ernstig onopzettelijk feit in de kou zullen blijven staan? Uiteraard niet, deze personen kunnen zich nog steeds tot de burgerlijke rechter wenden om een vergoeding te bekomen voor hun schade.
Deze aanpassing vraagt echter wel bijkomende inspanningen en waakzaamheid van de slachtoffers.
Zo zullen zij in geval van een lichte onzorgvuldigheid zelf het nodige moeten doen om een procedure op te starten en zullen zij niet meer zomaar kunnen meesurfen op de procedure opgestart door het Openbaar Ministerie.
Eveneens zullen zij aandachtig moeten blijven indien het Openbaar Ministerie de kwalificatie “onopzettelijke slagen en verwondingen” wél heeft vermeld in de dagvaarding. Deze zal immers pas resulteren in een schuldigverklaring wanneer de onzorgvuldigheid “ernstig” genoeg is en het antwoord op deze vraag verschilt van persoon tot persoon. Bij de beoordeling moet rekening gehouden worden met de persoonlijkheid van de dader, eventuele voorgaanden, diens deskundigheid,.. waardoor op voorhand moeilijk te voorspellen valt wat het oordeel van de rechtbank zal zijn. Indien de dader uiteindelijk een vrijspraak bekomt en het slachtoffer alsnog een burgerlijke procedure wil opstarten, moet het slachtoffer zorgen dat de feiten intussen niet zijn verjaard.
Besluit
Het nieuw Strafwetboek brengt enkele aanzienlijke wijzigingen met zich mee die niet enkel voor daders, doch ook voor slachtoffers de nodige impact met zich mee zullen brengen.
Dat deze wijzigingen niet min zijn, blijkt ook uit de huidige berichtgeving waarin advocaten en magistraten reeds hun bezorgheden uitten. Zij vrezen dat het globale juridisch kader, met onder andere talloze bijzondere wetten en decreten, onvoldoende is aangepast aan de nieuwe regelgeving waardoor er chaos dreigt na de inwerkingtreding van het nieuw Strafwetboek.
Tot nader order zijn er evenwel nog geen plannen om de inwerkingtreding uit te stellen.
In elk geval, indien de inwerkingtreding effectief plaatsvindt op 8 april 2026, wil dit hoe dan ook niet zeggen dat we vanaf die datum het huidig Strafwetboek naast ons neer mogen leggen. Voor misdrijven die gepleegd zijn voor 8 april 2026 geldt immers het principe dat de minst strenge strafwet toegepast moet worden. Indien de “oude” strafwet in dat geval milder is, zal nog steeds naar deze oude regels terug gegrepen moeten worden.
Voor verdere informatie of advies kan u terecht bij Stephanie Van den Broecke.