Phishing

Phishing: Waarom slachtoffers niet te vroeg mogen juichen

4 June 2026
door
Sofie Deblaere

De beschikking van de Ondernemingsrechtbank Antwerpen van 26 mei 2026 lijkt op het eerste gezicht een overwinning voor slachtoffers van phishing. Bij nader inzien dringt echter nuance zich op: het gaat om een voorlopige maatregel die geen garantie biedt op een definitieve terugbetaling. Bovendien is deze uitkomst sterk verbonden aan de specifieke omstandigheden van de zaak, aangezien de kortgedingprocedure slechts mogelijk is bij aantoonbare hoogdringendheid en dus niet in alle gevallen kan worden ingeroepen.

De vereiste van hoogdringendheid

De eerste nuance betreft de aard van de procedure. Krachtens artikel 584 van het Gerechtelijk Wetboek kan de kortgedingrechter enkel uitspraak doen als er sprake is van hoogdringendheid.

In casu werd de hoogdringendheid enkel aanvaard omwille van de zeer specifieke en uitzonderlijke feiten:

  • Eisers waren een hoogbejaard echtpaar van 90 en 93 jaar oud.
  • Door de diefstal van hun spaargeld beschikten zij plots niet meer over de noodzakelijke middelen voor hun dagelijkse verzorging en huisvesting.

Bij gebrek aan een acute bedreiging van het dagelijks levensonderhoud blijft de kortgedingprocedure voor de actieve burger aldus een dode letter.

De beslissing in kort geding is voorlopig

De tweede nuance betreft de omstandigheid dat de kortgedingrechter slechts een voorlopige maatregel beveelt. De kortgedingrechter spreekt zich logischerwijs niet uit over de vraag of er al dan niet sprake was van grove nalatigheid.

De bank kan aldus naderhand in een procedure ten gronde de terugbetaling vragen, indien zij meent dat de transactie toegestaan was door de betaler, dan wel, als ze niet toegestaan was, het gevolg was van grove nalatigheid van de betaler. Dan geldt de aansprakelijkheidsregeling van artikel VII.44 WER. Ten gronde zal dan blijken of de betalers geheel of gedeeltelijk aansprakelijk zijn.

De tweede nuance betreft de voorlopige aard van de toegekende maatregel. Zelfs wanneer het slachtoffer in kort geding - of minnelijk - een onmiddellijke terugbetaling verkrijgt, houdt dit geen definitieve regeling in van de rechten tussen partijen. De kortgedingrechter spreekt zich immers niet uit over de vraag of er sprake is van grove nalatigheid.
De bank behoudt dan ook de mogelijkheid om nadien, in een procedure ten gronde, de terugbetaling van de uitgekeerde bedragen te vorderen. Zij kan daarbij aanvoeren dat de betaler de transactie heeft toegestaan, dan wel - indien het om een niet-toegestane transactie gaat - dat deze het gevolg is van grove nalatigheid van de betaler. Het komt uiteindelijk aan de rechter ten gronde toe om te beoordelen of en in welke mate de betaler aansprakelijk is voor de betwiste verrichting.

Besluit

Deze uitspraak betekent geenszins dat slachtoffers van phishing hun geld definitief en onherroepelijk terugkrijgen.

Vooreerst blijft de kortgedingprocedure een uitzonderingsprocedure: het succes ervan hangt af van het bewijs van acute, feitelijke hoogdringendheid (zoals bij dit kwetsbare bejaarde koppel van 90 en 93 jaar).

Bovendien behoudt de bank de mogelijkheid om via een procedure ten gronde terugbetaling te eisen op grond van grove nalatigheid.

Deze website maakt gebruik van cookies

Bepaal uw voorkeur hier

`