Dilapidated 983952 1920

Uitzonderingen op het tijdelijk verbod op uithuiszettingen in tijden van COVID-19, louter een utopie?

21 avril 2020
door
Delphine Taveirne

De Vlaamse regering heeft in artikel 2 van zijn besluit van 27 maart 2020 houdende maatregelen voor de private en sociale huurmarkt ten gevolge van de maatregelen genomen door de Nationale Veiligheidsraad vanaf 12 maart 2020 inzake het coronavirus (B.S. 31 maart 2020) het volgende beslist:“De uitvoering van alle gerechtelijke beslissingen waarbij een uithuiszetting wordt bevolen, wordt opgeschort.De politiediensten zijn verantwoordelijk voor de naleving van de bepalingen van het eerste lid, zo nodig met het gebruik van geweld in de zin van artikel 37 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt.”

“Hierdoor zal het vanaf 18 juli 2020 opnieuw mogelijk zijn om de (gerechtelijke) uithuiszettingen uit te voeren.”

In zijn omzendbrief OMG/W 2020/2 heeft het kabinet van de Vlaamse minister van Financiën en begroting, Wonen en Onroerend Erfgoed een verduidelijking gegeven omtrent dit tijdelijk verbod op uithuiszettingen.

Bedoeling van deze nieuwsbrief is om na te gaan of de in voormelde omzendbrief bepaalde uitzonderingen op het tijdelijk verbod op uithuiszettingen weldegelijk een uitzondering inhouden.

Vooreerst willen wij u meegeven dat de Vlaamse regering heeft bepaald dat de duurtijd van deze opschorting (voorlopig) 120 dagen zal bedragen, meer bepaald zal het tijdelijk verbod op uithuiszettingen in het Vlaamse Gewest lopen tot en met 17 juli 2020. Hierdoor zal het vanaf 18 juli 2020 opnieuw mogelijk zijn om de (gerechtelijke) uithuiszettingen uit te voeren.

Het tijdelijk verbod op uithuiszettingen heeft daarenboven louter betrekking op de uitvoering van de uithuiszettingen. Desalniettemin blijft het nog steeds mogelijk dat de vrederechter – en in beroep de burgerlijke rechter van de rechtbank van eerste aanleg – tijdens deze periode de ontbinding van de huurovereenkomst en de hiermee gepaard gaande uithuiszetting uitspreekt. Doch zal de uithuiszetting an sich pas kunnen uitgevoerd worden vanaf 18 juli 2020.

Alvorens na te gaan wat de uitzonderingen zijn op het tijdelijk verbod op uithuiszettingen, geven wij u mee dat het tijdelijk verbod louter betrekking heeft op uithuiszettingen die voortvloeien uit gerechtelijke procedures in het kader van zowel private als sociale woninghuurgeschillen alsook op uithuiszettingen uit tweede verblijven en uit studentenhuisvestigingen.

In de omzendbrief OMG/W 2020/2 worden niet-limitatief een aantal categorieën van uit(huis)zettingen opgelijst die niet onder het tijdelijk verbod op uithuiszettingen vallen:

  • Uithuiszettingen in het kader van personen- en familierecht, bijvoorbeeld voorlopige maatregelen tussen (ex-)partners;
  • Uithuiszettingen van krakers;
  • Uithuiszettingen van personen met een bezetting ter bede of een bruikleenovereenkomst;
  • Uithuiszettingen ter bewaking van openbare orde door de burgemeester (artikel 135 Nieuwe Gemeentewet);
  • Uithuiszettingen op basis van notariële aktes, bijvoorbeeld naar aanleiding van de aankoop van een nieuwe woning;
  • Uitzettingen in het kader van een handelshuur;
  • Uit(huis)zettingen ten gevolge van huurovereenkomsten van gemeen recht, bijvoorbeeld garages, kantoren, praktijkruimtes van vrije beroepers, etc.

Kortom kan gesteld worden dat louter de uithuiszettingen die vallen onder de gewestelijke bevoegdheden, of nog specifieker onder de bevoegheid van de Vlaamse minister van Wonen, vallen onder het tijdelijk verbod op uithuiszettingen in de zin van artikel 2 van het besluit van 27 maart 2020.

Voormelde uitzonderingen vallen dan wel niet onder het tijdelijk verbod op uithuiszettingen in de zin van artikel 2 van het besluit van 27 maart 2020, doch zal het quasi onmogelijk zijn om deze uit(huis)zettingen daadwerkelijk uit te voeren, aangezien er ten eerste rekening dient te worden gehouden met de algemene richtlijnen in het kader van de COVID-19 maatregelen en anderzijds er steevast een medewerking vereist is van verscheidene openbare ambten.

Vaak zullen gerechtsdeurwaarders toch niet te springen staan om in deze tijden van COVID-19 over te gaan tot uit(huis)zetting in de uitzonderingsgevallen, aangezien zij hierbij een risico lopen voor hun eigen veiligheid en gezondheid en anderzijds zij niet kunnen rekenen op de medewerking van de politiediensten, stadsdiensten, slotenmakers, etc.

Daarnaast bepalen de maatregelen dat bij verhuizen (ten gevolge van een uithuiszetting) je ofwel enkel kan rekenen op de leden van je gezin die leven onder één en hetzelfde dak vergezeld met maximaal één extra persoon van buitenaf, die uiteraard de regels omtrent social distancing dient te respecteren, ofwel een beroep dient te doen op een gespecialiseerde verhuisfirma die de volledige verhuizing alleen uitvoert zonder hulp van de betrokken personen die uit huis gezet worden.

Doch werkt volgens de Belgische Kamer der Verhuizers 4 op 5 professionele verhuisfirma’s thans niet meer omwille van veiligheidsoverwegingen voor hun werknemers. Het merendeel van de professionele verhuisfirma’s die wel nog operationeel is, vragen dan weer een riscopremie. Het is immers een bijzonder moeilijke opdracht om bijvoorbeeld een wasmachine, die slechts 60 centimeter breed is, te verhuizen met respect voor de maatregelen omtrent de social distancing, zijnde 1,5 meter afstand houden tussen de werknemers.

We kunnen aldus besluiten dat conform de omzendbrief OMG/W 2020/2 er bepaalde uitzonderingen op het tijdelijk verbod op uithuiszettingen mogelijk zijn, doch dit in de praktijk eerder een utopie zal zijn, aangezien algemeen gesteld kan worden dat een uit(huis)zetting praktisch quasi onhaalbaar is gelet op de maatregelen omtrent social distancing, waarbij dat iedereen minstens 1,5 meter afstand van elkaar dient te bewaren.

Deze website maakt gebruik van cookies

Stel hieronder uw voorkeuren in.

Cookies Policy

`