Belexa abstract

Nieuwe algemene bescherming tegen schuldeisers in het kader van COVID-19

27 avril 2020
door
Benoit Beele
Jens Rau

De federale overheid vaardigde op 24 april 2020 het straks ongetwijfeld zeer befaamde Koninklijk besluit n° 15 betreffende de tijdelijke opschorting ten voordele van ondernemingen van uitvoeringsmaatregelen en andere maatregelen gedurende de COVID-19 crisis uit.De opheffing van de bescherming kan evenwel worden verkregen bij de Voorzitter van de Ondernemingsrechtbank handelend in kortgeding.

Wie wordt gevat door dit KB?

Dit KB strekt ertoe bepaalde tijdelijke maatregelen te nemen ingevolge de COVID-19 epidemie in het voordeel van de ondernemingen onderworpen aan Boek XX van het Wetboek van economisch recht dat handelt over de insolventie van ondernemingen (met inbegrip van vrije beroepers). Dit KB is aldus relevant voor alle ondernemingen wiens continuïteit bedreigd is of dreigt te worden bedreigd door de corona pandemie.

Een onderneming waarvan de vordering in faillietverklaring hangende is op de dag van inwerkingtreding van het KB (i.e. 24 april 2020) kan eveneens van de maatregelen vervat in het KB genieten, maar kan wel failliet verklaard worden indien blijkt dat de onderneming reeds in staking van betaling was op 18 maart 2020.

Ondernemingen die op 18 maart 2020 reeds in staking van betaling waren, worden van het toepassingsgebied uitgesloten. De problemen van deze ondernemingen zijn immers historisch en niet gerelateerd aan COVID-19.

Wat houdt de tijdelijke opschorting in?

Het KB voegt een tijdelijk moratorium in waarbij elke onderneming als schuldenaar, in beginsel (zie verder), beschermd is tegen bewarend en uitvoerend beslag, faillietverklaring en gerechtelijke ontbinding.

Dergelijk moratorium is qua gevolgen vergelijkbaar met de gerechtelijke reorganisatie zoals voorzien in boek XX WER maar dient niet te worden voorafgegaan door een verzoek gericht aan de ondernemingsrechtbank die bij vonnis de schuldeiserbescherming moet verlenen.

De tijdelijke opschorting houdt in dat:

  1. Er geen bewarend of uitvoerend beslag kan worden gelegd of geen enkel middel van tenuitvoerlegging kan worden aangewend voor alle (zowel oude als nieuwe) schulden van ondernemingen met uitzondering van bewarend en uitvoerend onroerend beslag en bewarend beslag op zeeschepen en binnenvaartschepen;
  2. De onderneming kan niet op dagvaarding failliet verklaard worden of gerechtelijk worden ontbonden, tenzij op initiatief van het openbaar ministerie of de voorlopige bewindvoerder over de vennootschap;
  3. De verplichting om binnen de maand na staking van betaling aangifte van faillissement wordt opgeschort voor de duur van de opschorting indien de faillissementsvoorwaarden het gevolg zijn van de COVID-19 epidemie of pandemie en haar gevolgen zonder dat de onderneming de mogelijkheid wordt ontnomen om zelf de boeken neer te leggen;
  4. Geen overdracht onder gerechtelijk gezag van het geheel of een deel van de activiteiten van de onderneming worden bevolen;
  5. De betalingstermijnen opgenomen in een reorganisatieplan gehomologeerd voor of na de inwerkingtreding van het KB, worden verlengd met een duur gelijk aan die van de opschorting, desgevallend met verlenging van de maximumtermijn van vijf jaar voor de uitvoering van het plan;
  6. Overeenkomsten gesloten voor de inwerkingtreding van het KB kunnen niet eenzijdig of gerechtelijk worden ontbonden wegens een wanbetaling van een geldschuld opeisbaar onder de overeenkomst; deze bepaling is niet van toepassing op arbeidsovereenkomsten.

Dit laatste is uiteraard van een niet te overzien belang! Alle overeenkomsten m.u.v. de arbeidsovereenkomsten worden door dit KB gevat. Dit betekent dat een werknemer die zijn loon niet uitbetaald krijgt wel de ontbinding van de arbeidsovereenkomst kan benaarstigen maar een verkoper van een (onroerend) goed (aan een onderneming welteverstaan) die de koopsom niet betaald ziet of een verhuurder van een commercieel pand of handelszaak die geen huur meer ontvangt tijdelijk niet de ontbinding van die koop- of huurovereenkomst kan vorderen.

Belangrijke nuance: betalingsverplichting blijft!

Het Koninklijk besluit n°15 voorziet geenszins in een recht om niet te betalen! U dient aldus nog steeds de schulden die op vervaldag komen behoorlijk te vereffenen terwijl dit KB ook de gemeenrechtelijke contractuele sancties zoals onder meer de exceptie van niet-uitvoering, de schuldvergelijking en het retentierecht ongemoeid laat.

“Het Koninklijk besluit n°15 voorziet geenszins in een recht om niet te betalen!”

Ook zullen desgevallend verwijlinteresten en andere accessoria verschuldigd zijn. Een schuld te laat betalen zal aldus nog steeds betekenen dat u een rente omwille van laattijdige betaling verschuldigd bent meer verdere schadeloosstelling zoals contractueel voorzien of bij toepassing van de Wet van 2 augustus 2002 betreffende de betalingsachterstand bij handelstransacties.

Maak gebruik van de mogelijkheid tot opheffing van de bescherming via de rechtbank

De maatregel streeft maar één oogmerk na: de bescherming van de continuïteit van ondernemingen.

U kan de Voorzitter van de Ondernemingsrechtbank in kortgeding vatten, wanneer:

  • de maatregel zijn doel (de continuïteit van de debiteur) voorbij schiet;
  • de maatregel niet in verhouding staat tot de impact van de opschorting op derden;
  • u meent dat de schuldenaar zich ten onrechte beroept op deze bescherming (omdat zijn continuïteit niet bedreigd is of omdat hij reeds in staking van betaling was vóór 18 maart 2020);
  • uw debiteur rechtsmisbruik pleegt.

De Voorzitter zal daarbij rekening houden met onder meer de vraag of ten gevolge van de COVID-19 epidemie of pandemie de omzet of activiteit van de schuldenaar sterk is gedaald, of er volledig of deels beroep is gedaan op economische werkloosheid en of de overheid bevel heeft gegeven tot sluiting van de onderneming van de schuldenaar, alsook met de belangen van de verzoeker.

Wanneer een onderneming aldus misbruik zou maken van de gunstmaatregelen geboden door het KB kan aldus nog steeds de Voorzitter, zetelend zoals in kort geding, worden gevat teneinde alsnog de uitvoering van een titel of het faillissement van een debiteur te benaarstigen.

Hoe tijdelijk?

Het KB treedt in werking op 24 april 2020. Na de (gedeeltelijke) opheffing van de inperkingsmaatregelen genomen door de federale of regionale overheden, zullen de liquiditeitsproblemen van de ondernemingen uiteraard niet meteen wegvallen. De opschorting geldt voorlopig tot en met 17 mei 2020 maar een verlenging ligt wellicht in het verschiet. Het is nl. weinig waarschijnlijk dat de economische gevolgen op zo'n korte termijn zullen opgelost zijn en er tegen dan geen globaal gevaar voor de continuïteit van de ondernemingen meer bestaat.

Deze website maakt gebruik van cookies

Stel hieronder uw voorkeuren in.

Cookies Policy

`