Prime Advice for Excellent Performance.

E-News

26 januari 2020

Verkeersregels op een parking van een winkelcentrum ? Een concrete casus.

Noch de Wegverkeerswet (Wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd bij KB 16 maart 1968, laatst gewijzigd bij Wet 8 mei 2019), noch het Wegverkeersreglement/de Wegcode (KB van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg, laatst gewijzigd bij KB 16 september 2019) geven een definitie van het begrip ‘openbare weg’. Een openbare weg wordt veelal begrepen als elke weg die voor het openbaar verkeer openstaat, zelfs al is de bedding ervan privé-eigendom, en zelfs al wordt het openbaar verkeer er enkel gedoogd.

Een openbare weg is een weg open voor het verkeer, onafhankelijk van de officiële benaming, het uitzicht en het eigendomsrecht, waar het publiek in het algemeen toegelaten is om er te komen of er minstens geduld wordt.

Voertuigen en personen begeven zich ook wel buiten de openbare weg. Terwijl de Wegcode hier geen toepassing vindt, zijn daar toch sommige bepalingen van de Wegverkeerswet toepasselijk (vluchtmisdrijf, intoxicatie, dronkenschap, enz. …), en wel voor zover de geviseerde handeling gebeurt op een openbare plaats. Een openbare plaats, in de zin van de Wegverkeerswet, omvat (a) de openbare weg, (b) de terreinen toegankelijk voor het publiek en (c) de niet-openbare terreinen die voor een zeker aantal personen toegankelijk zijn.

Onder het begrip ‘openbare plaats’ worden de plaatsen begrepen die, hoewel ze privé zijn, voortdurend toegankelijk zijn voor bepaalde categorieën van personen zoals aangestelden, klanten, leveranciers, bezoekers of passanten. Uit de omstandigheid alleen dat de bewoners van een gebouw, ook al zijn ze talrijk, voortdurend toegang hebben via een openbare weg die loopt langs de privé-parking waarmee hij in verbinding staat volgt niet dat deze een openbare plaats is.

Zo wordt als openbare plaats beschouwd: De parkeergarage die, al dan niet tegen betaling van huur- of staangeld, toegankelijk is voor alle weggebruikers zonder onderscheid, terreinen met een groot aantal wegen die bestendig toegankelijk zijn voor het personeel, de leveranciers en bezoekers, zelfs indien de terreinen afgesloten zijn en er voor de toegang een toegangskaart of, voor sommigen, een andere toelating vereist is, de binnenplaats van een ziekenhuis waar patiënten, het personeel en de bezoekers toegang hebben, de binnenplaats van een fabriek die toegankelijk is voor de werknemers, de klanten en de bezoekers, de toegangsweg tot de school en tot de fietsenstallingen, gezien deze weg op geen enkele wijze afgesloten is en voortdurend toegankelijk is voor de leerlingen, leerkrachten, leveranciers, ouders, bezoekers en passanten.

Het onderscheid heeft zijn belang. Op de openbare weg zijn én de Wegverkeerswet én de Wegcode van toepassing.

Op een openbare plaats zijn enkel een aantal bepalingen van de Wegverkeerswet van toepassing, zoals deze inzake vluchtmisdrijf, inzake intoxicatie, inzake dronkenschap, inzake het besturen van een niet-verzekerd voertuig, …

Of een weg als openbare weg dan wel openbare plaats wordt gekwalificeerd, hangt hoofdzakelijk af van de feitelijke appreciatie, onder meer van de rechter.

Men staat soms niet altijd stil bij de gevolgen van deze kwalificatie.

Een voorbeeld zal dit illustreren.

Sinds geruime tijd wordt de parking van een belangrijk winkelcentrum te Kuurne/Kortrijk door de overheersende rechtsleer en de overheersende rechtspraak beschouwd als een openbare weg, of m.a.w. een plaats waar ook de Wegcode (naast de Wegverkeerswet) integraal van toepassing is.

Probleem is dat deze parking niet (volledig) is ingericht als openbare weg. Zo zijn op kruispunten, op die parking, vaak enkel haaientanden op het wegdek aangebracht/geschilderd, en worden deze haaientanden niet ondersteund door bijvoorbeeld een verkeersbord B1 (omgekeerde driehoek) die de bestuurder die op de weg rijdt waarop de haaientanden zijn aangebracht zal moeten verplichten tot het verlenen van voorrang.

De dwarsstreep gevormd door witte driehoeken, die de plaats aanduidt waar de bestuurders zo nodig moeten stoppen om voorrang te verlenen ingevolge een verkeersbord B1, heeft geen enkele wettelijke betekenis indien op het betrokken kruispunt geen enkel verkeersbord is aangebracht dat oplegt voorrang te verlenen.

Daaruit volgt dat bij ontstentenis van een verkeersbord dat oplegt voorrang te verlenen, alleen de aanwezigheid van haaientanden op de rijbaan de weggebruiker die op deze weg rijdt, niet verplicht voorrang te verlenen aan de bestuurder die rijdt op de openbare weg die hij gaat oprijden.

In die omstandigheden is op het kwestieuze kruispunt de voorrang van rechts van toepassing.

Twee bestuurders waren op dergelijk kruispunt betrokken in een verkeersongeval.

De bestuurder die reed op de, zo dacht hij, voorrangsweg, verklaarde:

“ Ik naderde een kruispunt alwaar de zijstraten aangeduid stonden met omgekeerde haaientanden, zodoende had ik voorrang. Ik merkte een voertuig rechts van mij op en dacht dat het ging stoppen, … Het voertuig rechts van mij stopte niet en ik kon de aanrijding niet vermijden.”

De bestuurder die dacht voorrang plichtig te zijn verklaarde:

“ Ik wou de parking Ring Shoppingcenter verlaten en merkte ter hoogte van een kruispunt omgekeerde haaientanden niet op, zodoende verleende ik geen voorrang. Ik heb het voertuig links van mij nooit opgemerkt, …”

Het Openbaar Ministerie vervolgde de zogezegd voorrang plichtige bestuurder wegens het negeren van die voorrangsplicht. 

Een rechter van de Politierechtbank West-Vlaanderen, afdeling Kortrijk sprak in een vonnis dd. 5 december 2019 de ‘voorrang plichtige’ bestuurder vrij en stelde dat de ‘voorrangsgerechtigde’ bestuurder integraal aansprakelijk was voor het ongeval ingevolge het negeren van de voorrang van rechts.

Conclusie:

Wanneer een parking ook als openbare weg wordt beschouwd, moet deze volledig zijn ingericht als openbare weg. Zo niet, dreigt dit bij de gebruikers ervan, voor verwarring te zorgen en zullen mogelijks zij die dachten over de voorrang te beschikken, voorrang plichtig zijn en vice versa.

Frédéric Busschaert

Recent nieuws