Prime Advice for Excellent Performance.

E-News

26 maart 2018

De detacheringstrein davert voort

In de strijd tegen de sociale fraude en oneerlijke concurrentie op het vlak van detacheringen werden al heel wat maatregelen genomen. Zo werd een hoofdelijke aansprakelijkheid ingevoerd voor niet-betaalde lonen aan de werknemers in geval van activiteiten in de bouwsector. Vanaf 1 oktober 2017 moet bij een detachering van werknemers naar België de mededeling over de verbindingspersoon via Limosa-aangifte gebeuren. De Belgische opdrachtgever die beroep doet op gedetacheerde werknemers of zelfstandigen moet erop toezien dat de buitenlandse aannemer een Limosa-melding heeft verricht voor elke gedetacheerde en dit vóór de aanvang van de prestaties, enzovoort.

Belangrijk in het verhaal van detachering is de A1 verklaring. Indien een werknemer wenst te werken in het buitenland in het kader van een detachering, moet hij in het bezit zijn van een A1-verklaring (de vroegere E101-verklaring), afgeleverd door de autoriteiten van de zendstaat.

De A1-verklaring bevestigt binnen de Europese Unie in geval van detachering vanuit een andere lidstaat naar België, dat de werknemer verder aan de sociale zekerheid van zijn thuisland onderworpen blijft. 

De Belgische autoriteiten zijn gebonden door de A1-formulieren die afgeleverd zijn door de bevoegde organen van andere lidstaten. Ze kunnen deze niet zomaar naast zich neerleggen en de betrokken werknemers aan de Belgische sociale zekerheid onderwerpen.

Het Hof van Cassatie heeft meermaals het belang van het A1-formulier op het gebied van grensoverschrijdende tewerkstelling bevestigd. Zo oordeelde het Hof in een arrest van 2 februari 2016 dat wanneer een buitenlandse zelfstandige over een A1-formulier beschikt, dit de verplichtingen inzake DIMONA (aangifte van indiensttreding en uitdiensttreding van werknemers onderworpen aan de Belgische sociale zekerheid) uitsluit, zelfs wanneer er sprake zou zijn van schijnzelfstandigheid. In dit arrest werd nogmaals de bijzondere bewijskracht van het A1-formulier bevestigd. Het formulier vermeldt naast het toepasselijke socialezekerheidsstelsel onder meer de hoedanigheid van de betrokkene als werknemer of zelfstandige. De kwalificatie van de arbeidsrelatie voor sociale-zekerheidsdoeleinden gebeurt immers volgens de regels van de detacherende lidstaat. In het geschil dat aan de basis lag van het arrest, werd de aard van de arbeidsrelatie van Poolse zelfstandigen die over een A1-formulier voor zelfstandigen beschikten, in vraag gesteld. Voor deze ‘schijnzelfstandigen’ was er geen DIMONA-aangifte verricht. Het Hof van Cassatie heeft geoordeeld dat de DIMONA-reglementering alleen van toepassing is voor personen die onder de Belgische sociale zekerheid vallen. De regeling geldt dus niet voor personen die over een A1-formulier beschikken op grond waarvan de toepassing van de Belgische sociale zekerheid wordt uitgesloten.

Is de A1-verklaring dan een vrijgeleide?

De sociale inspectie stelt in een aantal gevallen fraude vast bij detachering. In een concreet dossier had een Belgische onderneming in de bouwsector zelf nauwelijks personeel in dienst, maar deed beroep op Bulgaarse onderaannemers die hun werknemers naar België detacheerden met behoud van de Bulgaarse sociale zekerheid. Die werknemers waren in het bezit van de A1-verklaringen.

De Belgische sociale inspectie voerde onderzoek in Bulgarije en besliste om geen rekening te houden met de Bulgaarse A1-attesten. De Bulgaarse ondernemingen hadden nauwelijks enige bedrijvigheid in Bulgarije en de sociale inspectie zag dit als een dekmantel om te ontkomen aan de Belgische sociale zekerheid. Dit bracht een zware sanctie met zich mee : de sociale inspectie oordeelde dat de Bulgaren bij de Belgische firma in dienst waren en dat bijgevolg voor 3 jaar sociale bijdragen verschuldigd was voor de 61 werknemers. Dit terwijl de A1-verklaringen nooit waren ingetrokken door de Bulgaarse overheid na verzoek door de Belgische overheid.

De Belgische onderneming was het niet eens dat men de bindende kracht van de A1-verklaringen uitschakelde en kon zich baseren op de rechtspraak van het Hof van Justitie. Eerder had het Hof van Justitie geoordeeld dat de A1-verklaring bindend is voor de ontvangende lidstaat. Zolang dit formulier niet is ingetrokken of ongeldig verklaard door de lidstaat die het formulier heeft uitgereikt, moet de ontvangende lidstaat hiermee rekening houden en kan hij de buitenlandse werknemers niet aan zijn eigen sociale zekerheid onderwerpen. In 2006 oordeelde het Hof van Justitie dat de rechterlijke instantie van de ontvangende lidstaat niet bevoegd is om de geldigheid na te gaan van de A1-verklaring wat betreft de feiten op grond waarvan het formulier werd afgegeven en meer bepaald het bestaan van een organische band tussen de uitzendende buitenlandse onderneming en de gedetacheerde werknemer.

De zaak kwam uiteindelijk voor het Hof van Cassatie die in een arrest van 7 juni  2016 besliste om de zaak aan het Europese Hof van Justitie voor te leggen via prejudiciële vraag of een A1-verklaring door een rechter van een andere lidstaat dan de uitzendende lidstaat kan worden vernietigd of buiten beschouwing worden gelaten in geval van fraude. 

Op 6 februari 2018 heeft het Europees Hof van Justitie geoordeeld dat de nationale rechter de A1-verklaring buiten beschouwing kan laten, mits het doorlopen van een aantal stappen. 

Dit arrest is zeer belangrijk, want het geeft de sociale inspectie munitie wanneer zij een verzoek heeft gericht aan de autoriteiten van de zendstaat om de A1-verklaring in te trekken nadat uit onderzoek blijkt dat er fraude is, maar waar het vaak voorvalt dat de autoriteiten van de zendstaat nalaten om dit verzoek te behandelen.

An Deprez

Recent nieuws