Prime Advice for Excellent Performance.

E-News

24 augustus 2015

Ongeldig niet-concurrentiebeding toch afdwingen ?

Het hoogste rechtscollege laat toe dat de rechter een ongeldig niet-concurrentiebeding matigt tot hetgeen wettelijk toelaatbaar is. Voorwaarde is wel dat partijen die matiging in hun overeenkomst hadden voorzien.

In het kader van commerciële samenwerkingsovereenkomsten, overnameovereenkomsten, managementovereenkomsten, arbeidsovereenkomsten e.d.m. voorzien ondernemingen heel dikwijls in een concurrentieverbod, tot bescherming van haar knowhow, haar cliënteel of een investering. Een niet-concurrentiebeding en zeker de omvang ervan is niet zelden het voorwerp van lange onderhandelingen.

Indien bepaalde know-how of bedrijfsgeheimen niet kunnen worden beschermd met intellectuele eigendomsrechten, moeten partijen wel beroep doen op vertrouwelijkheidsovereenkomsten en niet-concurrentiebedingen. Veel andere mogelijkheden bestaan er niet.

Bescherming vs. vrijheid

Dergelijke bescherming gaat evenwel in tegen het algemeen principe van vrijheid van handel en nijverheid, dat geldt in onze Europese markteconomie. Vandaar diverse wettelijke bepalingen die dergelijke beperkingen van de vrijheid van handel en nijverheid aan banden leggen. Die zijn vooral terug te vinden in het mededingingsrecht, het arbeidsrecht en andere specifieke geregelde overeenkomsten zoals de handelsagentuurovereenkomst.

In het algemeen kan gesteld worden dat niet-concurrentiebedingen geldig zijn indien zij beperkt zijn in (a) tijd, (b) ruimte en (c) activiteit. De partij in wiens voordeel het beding is opgesteld, moet een voldoende en rechtmatig belang hebben bij de beperking die hij oplegt.

Rechterlijke toetsing

Dit zijn echter algemene principes, die uiteindelijk bij discussie door de rechter worden geapprecieerd. Juist omdat die regels wordt beoordeeld in functie van de concrete omstandigheden van het geval, is het veelal niet eenvoudig om juridische zekerheid te garanderen. De Europese mededingingsautoriteiten hanteren wel richtlijnen van wat als “normaal” kan worden beschouwd.

Een te ruime beperking van de vrijheid van handel en nijverheid heeft verregaande gevolgen. Indien de rechter zou oordelen dat de beperkingen niet redelijk zijn, omdat b.v. de duur van het concurrentiebeding te lang is, moet de rechter het niet-concurrentiebeding nietig verklaren, waardoor het zonder toepassing blijft. Dit is natuurlijk niet de bedoeling.

Partijen kunnen gevolgen van sanctie beperken

Vandaar dat bepaalde vindingrijke juristen in hun overeenkomsten al enige tijd een matigingsbevoegdheid aan de rechter toekenden. Daarbij komen partijen overeen dat de rechter, indien hij zou oordelen dat het niet-concurrentiebeding al te ruim zou zijn en dus nietig, hij de macht heeft om het beding te matigen tot hetgeen wel wettelijk toelaatbaar is volgens die rechter. 

Het Hof van Cassatie heeft in haar arrest van 23 januari 2015 nu geoordeeld dat een rechtbank dergelijke afspraken tussen partijen niet mag negeren. Een rechter moet dus het niet-concurrentiebeding matigen tot wat wettelijk toegelaten is wanneer de partijen dat in hun overeenkomst hadden voorzien.  Het ging hier niet om een arbeidsovereenkomst of handelsagentuurovereenkomst, maar wellicht kan die rechtspraak worden doorgetrokken naar alle domeinen.

Ondernemingen hebben aldus zelf de sanctie van een ongeldig niet-concurrentiebeding in de hand. Willen zij de integrale nietigheid vermijden, dan moeten zij dit uitdrukkelijk voorzien in hun overeenkomsten.

Benoit Beele

Recent nieuws