Prime Advice for Excellent Performance.

E-News

7 mei 2015

Mededingingsrecht : geen waarborgen bij huiszoekingen en inbeslagnames ?

In tegenstelling tot het algemeen strafprocesrecht voorziet het mededingingsrecht geen onmiddellijk beroep tegen de beslissingen van de vervolgende overheid in verband met het beslag en het gebruik van documenten en informaticagegevens. Het Instituut voor bedrijfsjuristen en de Franstalige Orde van Advocaten vochten deze ongelijkheid aan bij het Grondwettelijk Hof, maar krijgen ongelijk.

Met het oog op de handhaving van de regels van het mededingingsrecht zijn de auditeurs bij de Belgische Mededingingsautoriteit bevoegd om alle inlichtingen op te sporen en om alle noodzakelijke vaststellingen te doen. Zij kunnen onder meer verklaringen of getuigenissen afnemen. Zij kunnen ook (met machtiging van de onderzoeksrechter) huiszoekingen verrichten onder meer in de plaatsen van de onderneming waar zij redelijkerwijze vermoeden documenten of gegevens te kunnen vinden, in de woning van de bedrijfsleider, en zelfs bij de (externe) boekhouder of fiscalist van de onderneming. Zij kunnen verder ook beslag leggen op documenten of goederen.

Wel moet diegene die overgaat tot een huiszoeking of beslaglegging beschikken over een bevel waarop het voorwerp en het doel van de opdracht wordt vermeld.

In het algemeen strafprocesrecht kan onmiddellijk beroep ingesteld worden tegen dergelijke acties, b.v. omwille van onwettig verkregen informatie, of tot bescherming van het privé-leven of tot bescherming van de vertrouwelijkheid verbonden aan de communicatie met advocaten of aan de adviezen verstrekt door bedrijfsjuristen. Er bestaat derhalve de mogelijkheid om onmiddellijk de regelmatigheid van een onderzoek te laten toetsen door een onafhankelijke rechter, waardoor bepaalde stukken van meet af aan uit het onderzoek kunnen worden geweerd (cf. b.v. Operatie Kelk). 

Geen onmiddellijk beroep

Een dergelijk onmiddellijk beroep blijkt evenwel niet mogelijk te zijn tegen onderzoeksdaden gesteld door de auditeurs bij de Belgische Mededingingsautoriteit. 

In het kader van dergelijke administratieve procedure is slechts een beroep mogelijk na afloop van de onderzoeksprocedure en op voorwaarde dat de gegevens bekomen uit die onderzoeksdaden gebruikt worden ter staving van de visie van die auditeurs.

Grondwettelijk Hof

In haar arrest van 10 december 2014 zag het Grondwettelijk Hof geen probleem in het onderscheid tussen enerzijds de (algemene) strafprocedure en anderzijds administratieve procedures zoals in het kader van het toezicht op de naleving van de mededingingsregels.

Het Grondwettelijk Hof is van oordeel dat er geen volledig parallellisme moet zijn tussen beide soorten procedures. Het Hof is verder ook van oordeel dat er wel tijdig een gerechtelijke toetsing mogelijk is, m.n. nog voordat de visie van die auditeurs aan het Mededingingscollege zelf, dat ten gronde beslist of er al dan niet sprake is van een inbreuk op het mededingingsrecht, wordt meegedeeld. 

Er bestaat inderdaad de mogelijkheid om eens de onderneming geïnformeerd wordt over de visie van de auditeur beroep in te stellen bij het Hof van Beroep te Brussel. Maar dit dient dan wel zo goed als onmiddellijk te gebeuren, vermits een maand later die auditeur zijn verslag overmaakt aan het Mededingingscollege.

Op die wijze worden uiteraard de rechten van verdediging maar zeer beperkt en meer dan waarschijnlijk onvoldoende gewaarborgd. Niet alleen is er opnieuw sprake van een afwijkende procedureregeling, maar bovendien riskeert het gebrek aan onmiddellijk beroep uiteindelijk in het voordeel van de betrokken onderneming die beticht wordt van inbreuken op het mededingingsrecht, uit te draaien, eens zou blijken dat de onderzoeksprocedure onregelmatig werd gevoerd, in strijd met de regels van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens. Het valt dan ook zeker niet uit te sluiten dat ook deze wetgeving ooit zal leiden tot rechtspraak die de pers haalt en leidt tot bepaalde publieke verontwaardiging…

Benoit Beele

Recent nieuws