Prime Advice for Excellent Performance.

E-News

19 juni 2014

Mogelijkheid tot koop-verkoop tussen echtgenoten uitgebreid of verengd ?

Tijdens een geschil tussen twee inmiddels uit de echt gescheiden echtgenoten voor het Hof van Beroep te Antwerpen werd door één van de partijen opgeworpen dat artikel 1595, lid 1, 2° Burgerlijk Wetboek een discriminatie zou inhouden op basis van geslacht.

Het wetsartikel in kwestie situeert zich in het Burgerlijk Wetboek in de afdeling met betrekking tot koopovereenkomsten en dan meer bepaald in het hoofdstuk dat regelt wie kan kopen en verkopen. Immers bepaalt artikel 1595 Burgerlijk Wetboek het principe dat tussen echtgenoten géén verkoopovereenkomst kan worden aangegaan. Op dit principe zijn in hetzelfde artikel slechts vier uitzonderingen voorzien. Artikel 1595, lid 1, 2° Burgerlijk Wetboek regelt één van die uitzonderingen en bepaalt dat een verkoopovereenkomst tussen echtgenoten wel kan:

“Wanneer de overdracht die de man doet aan zijn vrouw, zelfs als hij van haar niet gescheiden is, een wettige oorzaak heeft, zoals de wederbelegging van haar vervreemde onroerende goederen of van penningen die haar toebehoren, indien die onroerende goederen of penningen niet in de gemeenschap vallen.”

Het discriminerende aspect van dit artikel is te vinden in het feit dat een koopovereenkomst wel toegelaten is wanneer het gaat om een man die aan zijn vrouw goederen overdraagt, weliswaar voor zover dit een wettige oorzaak heeft en voor zover het gaat om goederen die niet in de gemeenschap vallen, maar dat diezelfde mogelijkheid niet voorzien is wanneer het gaat om een vrouw die dezelfde overdracht wil doen aan de man.

Het is inderdaad duidelijk dat hier sprake is van een verschillende behandeling op basis van het geslacht.

Ook het Hof van Beroep van Antwerpen was van oordeel dat voormelde wetsbepaling mogelijk een discriminatie inhoudt op basis van geslacht, en bijgevolg het gelijkheidsbeginsel en non-discriminatiebeginsel uit de artikelen 10 en 11 van de Grondwet zou kunnen schenden.

Dienvolgens stelde het Hof van Beroep op 19 december 2013 volgende prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof:

“Schendt het art. 1595, lid 1, 2e B.W. de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre daaruit volgt dat een koopcontract tussen echtgenoten kan worden aangegaan wanneer de overdracht die de man doet aan zijn vrouw, zelfs als hij van haar niet gescheiden is, een wettige oorzaak heeft, zoals de wederbelegging van haar vervreemde onroerende goederen of van penningen die haar toebehoren, indien die onroerende goederen of penningen niet in de gemeenschap vallen, terwijl geen koopcontract kan worden aangegaan tussen echtgenoten wanneer de overdracht die de vrouw doet aan haar man, zelfs als zij van hem niet gescheiden is, een wettige oorzaak heeft, zoals de wederbelegging van zijn vervreemde onroerende goederen of van penningen die hem toebehoren, indien die onroerende goederen of penningen niet in de gemeenschap vallen.”

Lopende de procedure voor het Grondwettelijk Hof betoogde de Ministerraad dat bovenvermelde wetsbepaling geen schending inhoudt van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, aangezien ze grondwetsconform geïnterpreteerd zou kunnen worden. Volgens de Ministerraad zou artikel 1595 Burgerlijk Wetboek namelijk een niet-limitatieve lijst van uitzonderingen bevatten, zodat ook de in het geding zijnde uitzondering omgekeerd kan worden geïnterpreteerd door de rechtscolleges.

Het Grondwettelijk Hof was evenwel van oordeel dat de interpretatie van de Ministerraad niet kan worden gevolgd en oordeelde dat artikel 1595 Burgerlijk Wetboek wel een limitatieve opsomming van de uitzonderingsgevallen bepaalde. Bijgevolg kan de in het geding zijnde bepaling niet op die wijze worden geïnterpreteerd dat zij ook de omgekeerde hypothese omvat.

Er is dus wel degelijk sprake van een verschil in behandeling gebaseerd op het geslacht. Een dergelijk verschil in behandeling is op grond van artikel 10 en 11 van de Grondwet enkel toegestaan voor zover dit wordt verantwoord door een legitieme doelstelling en wanneer dit pertinent is voor die doelstelling.

Het Grondwettelijk Hof was van oordeel dat het verschil in behandeling opgenomen in artikel 1595, lid 1, 2e Burgerlijk Wetboek niet wordt verantwoord door een dergelijke legitieme doelstelling. Met andere woorden oordeelt het Grondwettelijk Hof dat deze bepaling in strijd is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

Welke gevolgen brengt het arrest nu met zich mee?

Om de gevolgen van het hierboven besproken arrest van het Grondwettelijk Hof goed te kunnen inschatten, is het van belang te begrijpen welk soort arrest het Grondwettelijk Hof hier heeft geveld.

Een zaak kan namelijk op twee manieren aanhangig worden gemaakt voor het Grondwettelijk Hof, enerzijds door een beroep tot vernietiging van een welbepaald wetsartikel, anderzijds middels een prejudiciële vraag gesteld door een lager rechtscollege aan het Grondwettelijk Hof.

Het besproken arrest is er gekomen na een prejudiciële vraag door het Hof van Beroep te Antwerpen. Dit wil zeggen dat het Hof van Beroep de vraag heeft gesteld aan het Grondwettelijk Hof om te oordelen of artikel 1595, lid 1, 2° Burgerlijk Wetboek in strijd is met de Grondwet (en dan met name in strijd met artikelen 10-11 van de Grondwet).

In het kader van een dergelijke procedure kan het Grondwettelijk Hof enkel oordelen of dat wetsartikel al dan niet in strijd is met de Grondwet, maar kan het Hof het wetsartikel op zich niet vernietigen. Om een wetsartikel te kunnen vernietigen, moet namelijk een beroep tot vernietiging worden ingesteld.

Bijgevolg mag het verwijzende rechtscollege, in dit geval het Hof van Beroep te Antwerpen, geen rekening meer houden met het artikel waarvan de schending met de Grondwet werd vastgesteld. Ook eventuele andere rechtscolleges die in dezelfde zaak zouden oordelen, mogen met deze bepaling geen rekening meer houden. De rechtsnorm op zich wordt evenwel niet vernietigd, maar blijft verder bestaan en kan nog steeds worden aangewend door andere rechtscolleges.

In concreto zorgt het arrest van het Grondwettelijk Hof er dus voor dat het Hof van Beroep te Antwerpen geen rekening meer kan houden met artikel 1595, lid 1, 2° Burgerlijk Wetboek. Gelet op het limitatieve karakter van de opsomming van de uitzonderingen op het principe van verbod van verkoopovereenkomsten tussen echtgenoten, lijkt dit er toe te leiden dat deze uitzondering niet meer werkbaar is en in het geheel niet meer kan worden toegepast. Zo er in het bodemgeschil een verkoopovereenkomst was afgesloten tussen de echtgenoten op grond van de uitzondering in artikel 1595, lid 1, 2° Burgerlijk Wetboek, zal deze overeenkomst in principe nietig zijn.

Voorts heeft dit arrest tot gevolg dat de overheid nu over een termijn van zes maanden beschikt om een beroep tot vernietiging van dit artikel in te stellen bij het Grondwettelijk Hof. Immers heeft het Hof in feite geoordeeld dat het artikel nietig zou verklaard moeten worden, maar kan zij dit niet in het kader van een prejudiciële vraag.

Anderzijds zou de wetgever beter proactief handelen en het in geding zijnde artikel wijzigen, zodanig dat ook dit geen ongelijke behandeling meer omvat.

Lies Mouton

Recent nieuws